Inleiding
Op de fase van de ontsluiting volgt de uitdrijving . Je baarmoeder is – tijdens het eerste gedeelte van de bevalling – ontsloten . Je weeën veranderen in persweeën. Je krijgt daarbij een bijna onweerstaanbare drang om te persen. De kracht van de weeën en het feit dat je zelf mee mag gaan persen, zorgen ervoor dat je baby uitgedreven wordt.
Bij een eerste vaginale bevalling duurt de uitdrijving meestal één tot twee uur. Bij een volgende bevalling gaat dit veel sneller. Soms wordt je kind dan binnen een paar minuten uitgedreven. Als de uitdrijving een stuk langer dan normaal duurt, is er sprake van een niet vorderende uitdrijving.
Oorzaken
Een niet-vorderende uitdrijving kan verschillende oorzaken hebben.
- Uitputting: als de ontsluiting moeizaam is verlopen (niet-vorderende ontsluiting ), kun je tijdens de uitdrijving zo moe zijn dat je geen kracht meer hebt om te persen.
- Als je een ruggenprik krijgt, werkt dit meestal niet in op je spieren. Soms gebeurt dat wel. Er is dan sprake van een zogeheten motorisch blok: je spieren zijn verdoofd en je kunt dan niet goed mee persen.
- Onvoldoende weeën: als je weeën niet snel genoeg na elkaar komen, zakt je baby tussen de weeën steeds terug. En als de weeën niet sterk genoeg zijn, is er te weinig kracht om je baby uit te drijven.
- Veel weerstand: bij een grote baby of een afwijkende ligging moeten de weefsels in het geboortekanaal verder oprekken dan normaal. Dit oprekken kost tijd.
- Wanverhouding: je kindje is naar verhouding te groot en past niet door je bekken.
- Schouderdystocie : één van de schoudertjes van je baby blijft haken achter je schaambeen.
Verschijnselen
Bij een niet-vorderende uitdrijving duurt de uitdrijving van je baby langer dan verwacht. Hierdoor kan zuurstoftekort ontstaan bij je baby. Daarom wordt tijdens de uitdrijving na elke wee met een doptone geluisterd naar het hartje van je baby: een dreigend zuurstoftekort is te horen aan de hartslag. Als je in het ziekenhuis bevalt, wordt de hartslag van je baby vaak continu geregistreerd met cardiotocografie (CTG) . Een ander teken van zuurstoftekort bij je baby is meconiumhoudend vruchtwater .
Diagnostiek
Om te onderzoeken waarom de uitdrijving niet vordert, voert de verloskundige of gynaecoloog een inwendig onderzoek uit.
Behandeling
De behandeling bij een niet-vorderende uitdrijving is afhankelijk van de oorzaak en van de conditie van je baby. Hieronder enkele mogelijke behandelingen.
- Extra druk geven.
- Door op je buik te drukken, kan de kraamverzorgende (thuis) of de verpleegkundige (in het ziekenhuis) de uitdrijving bevorderen. Deze behandeling wordt ook toegepast bij schouderdystocie .
- Een episiotomie (knip): de huid tussen je vagina en anus wordt een stukje ingeknipt. Deze behandeling is alleen zinvol in de laatste fase van de uitdrijving. Als je baby nog te hoog in het geboortekanaal zit, heeft deze behandeling geen zin.
- Vacuümextractie of tangverlossing : als je baby nog hoog in het geboortekanaal zit, kan extra hulp van een vacuümpomp of tang de uitdrijving versnellen.
- Keizersnede : als je baby tekenen vertoont van zuurstoftekort en andere behandelingen niet mogelijk zijn, krijg je een keizersnede. Deze behandeling wordt ook uitgevoerd bij een wanverhouding tussen de grootte van je kind en je bekken.
Bron: Medicinfo Copyright: Medicinfo Datum: 15/12/2011
Disclaimer