Sterkteverschil tussen beide ogen (anisometropie en aniseikonie)

Inleiding

Anisometropie betekent dat er een groot verschil bestaat in refractieafwijking (bril- of contactlenssterkte) tussen beide ogen, bijvoorbeeld het ene oog is “min 2” en het andere is “plus 3”. Dit verschil in sterkte leidt er toe dat de projectie van het beeld op het netvlies van verschillende grootte is en in de hersenen worden dus van hetzelfde object twee beelden van verschillende grootte geregistreerd. In dat geval spreken we van aniseikonie. Dit kan leiden tot dubbelzien of een “onprettig” zicht.

Oorzaak

Anisometropie kan ontstaan door een verschil in ontwikkeling van de beide ogen en het kan ontstaan ten gevolge van een operatie, een trauma of een aandoening.

Anisometropie door verschil in ontwikkeling van beide ogen
Als de ogen van nature een brekingsafwijking (refractie-afwijking) hebben (bijziendheid, verziendheid of astigmatisme), dan is die afwijking in beide ogen – zowel in vorm als ernst – meestal vrijwel gelijk. De brekingsafwijking wordt grotendeels bepaald door de lengte van de oogas en de kromming van het hoornvlies. Tijdens de jeugdjaren groeit het oog, net als andere organen, volgens een bepaald groeipatroon dat als het ware voorgeprogrammeerd is en grotendeels erfelijk bepaald. Meestal is dit voorgeprogrammeerde groeipatroon ongeveer gelijk voor beide ogen, maar in uitzonderlijke gevallen kan dit sterk verschillen. In andere gevallen kan door externe factoren (zoals ontstekingen) de ontwikkeling van beide ogen uiteenlopen.

Anisometropie door chirurgie, trauma of aandoening
Sommige chirurgische ingrepen aan het oog hebben invloed op de refractie (brilsterkte) van het oog. Soms is die verandering doelbewust uitgevoerd (bijvoorbeeld bij refractiechirurgie of cataractchirurgie), soms is de verandering een bijverschijnsel van de ingreep (bijvoorbeeld na netvlieschirurgie met een cerclageband).
Een ongeval waarbij het oog betrokken is, kan soms ook de refractie beïnvloeden, bijvoorbeeld door een litteken aan het hoornvlies of door verlies van de ooglens.
Bepaalde oogaandoeningen gaan gepaard met een verandering in refractie, bijvoorbeeld keratoconus en beginnende cataract.

Verschijnselen

Wanneer anisometropie en aniseikonie plotseling ontstaan, bijvoorbeeld na aanpassing van een nieuwe bril met sterk verschillende glazen, of na ongeval, ziekte of operatie, bestaat de kans op dubbelzien. Ook als geen dubbelbeeld gezien wordt, kan het kijken met beide ogen samen als zeer onprettig ervaren worden. Om comfortabel te kunnen lezen of televisie te kijken, wordt dan vaak spontaan één oog gesloten.

Indien de anisometropie voor de leeftijd van zes tot acht jaar ontstaat, dan bestaat kans op het ontwikkelen van amblyopie (lui oog) omdat het slechtste beeld door de hersenen genegeerd wordt (suppressie).

Diagnose

  1. Onderzoek van de gezichtsscherpte op afstand (visus meten)
  2. Refractieonderzoek
    Hiermee kunnen de brekingsafwijkingen bijziendheid, verziendheid en astigmatisme gemeten worden.
  3. Spleetlamponderzoek
    Hierbij wordt gekeken of de anisometropie door een oogaandoening veroorzaakt wordt.

Behandeling

Bij jongere kinderen is behandeling gericht op het voorkomen of bestrijden van amblyopie. Bij volwassenen en oudere kinderen (na 7 of 8 jaar) hangt de behandeling af van de oorzaak en van de klachten: indien mogelijk wordt de oorzaak van de anisometropie aangepakt, bijvoorbeeld een staaroperatie bij staar of het inknippen van een sterk insnoerende cerclageband na netvlieschirurgie. Als de klachten veroorzaakt worden door een te groot verschil in brilsterkte van beide ogen, dan zijn er drie mogelijkheden:

  1. Proberen te wennen aan het verschil in beeldgrootte.
  2. Tot een maximum van ongeveer 4 punten verschil in sterkte van de brillenglazen kunnen de hersenen het nog aan. Wanneer dat verschil groter is, dan zijn andere maatregelen nodig, bijvoorbeeld het verschil in brilsterkte verkleinen. Dit gaat ten koste van de gezichtsscherpte van één oog, omdat één glas afgezwakt wordt.
  3. Een contactlens in één of beide ogen dragen, waardoor veel minder beeldvergroting of -verkleining optreedt.

Gevolgen

Elke brilcorrectie geeft, afhankelijk van zijn sterkte, in min of meerdere mate een beeldvergroting of -verkleining. Zo geeft een positieve brilsterkte (+glazen) een vergroting van het beeld, een negatieve sterkte (-glazen) een verkleining en een cilindrische correctie een ongelijke vervorming.

Als de brilsterkte van beide ogen sterk verschilt, krijgen de twee ogen een verschillende grootte of vorm van beeld te zien. Dit noemt men aniseikonie. Als de hersenen er niet in slagen om deze twee verschillende beelden te laten samenvloeien tot één beeld, dan bestaat de kans op dubbelzien. Deze beeldvergroting of -verkleining treedt veel minder op bij contactlenzen en dan is er ook veel minder kans op storende dubbelbeelden.

Meer informatie

Informatie van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
www.oogheelkunde.org

Informatie van het Oogcentrum Deventer over contactlenzen
www.oogartsen.nl

Informatie van het Oogcentrum Deventer
www.oogartsen.nl

J.P. Cleveringa, J.M.T. Oltheten, G.H. Blom, M.E.J.M. Baggen, Tj. Wiersma. NHG-standaard refractieafwijkingen. Nederlands Huisartsen Genootschap. Utrecht, 2003.

Bron: Eric Feron Copyright: Medic Info Datum: 10/01/2008

Disclaimer