Inleiding
Het proces van de vertering begint in de mond en gaat door in de maag en de darmen. Een groot deel van de vertering vindt plaats in de dunne darm. Voedsel bevat drie belangrijke componenten: koolhydraten, vetten en eiwitten. Tegen de tijd dat deze componenten de dunne darm bereiken, hebben de koolhydraten de vorm aangenomen van suikers (die meestal uit twee moleculen bestaan - disachariden) en eiwitten zijn gedeeltelijk verteerd (in de vorm van peptiden) net als bepaalde vetten. Zogenoemde villi, die in de bekleding van de dunne darm aanwezig zijn, hebben op hun oppervlak vele cellen, die enterocyten worden genoemd. De enterocyten scheiden chemische stoffen (enzymen) af die op de voedingsstoffen inwerken. Peptidasen zijn enzymen die inwerken op peptiden en deze in aminozuren omzetten. Enzymen zoals sucrase, lactase, maltase en isomaltase werken in op disachariden (suikers), zodat opneembare suikers, zogenoemde monosachariden of enkelvoudige suikers, worden gevormd. Een andere groep enzymen, de darmlipasen, werken op vetten in, zodat deze worden afgebroken tot de stoffen glycerol en vetzuren. Deze eindproducten van de vertering worden door de villi opgenomen en komen direct in de bloedstroom terecht. De lever neemt de stoffen uit het bloed op voor verdere verwerking.
Meer informatie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Vertering. Nederlandse site met informatie over de spijsverterimg.
Guyton, C.A. and Hall, E.J. (2000), Chapter 64, in Textbook of Medical Physiology, 10th edn, Prism Books, India.
Bron: Medicinfo Copyright: Medicinfo Datum: 23/02/2010
Disclaimer