- Inleiding
- Indicatie
- Voorbereiding op de operatie
- De operatie
- Nazorg
- Beloop en complicaties
- Prognose
- Meer informatie
Inleiding
Photorefractieve keratectomie PRK is een laserbehandeling van het hoornvlies met als doel de refractie-afwijking te verminderen waardoor een bril of contactlenzen niet meer nodig zijn of flink in sterkte kunnen afnemen. Bij PRK wordt een oppervlakkig stukje hoornvliesweefsel verdampt door een Excimer laser. Aanvankelijk was PRK de voorkeurstechniek bij lichte (minder dan 6 dioptrieën) refractieafwijkingen, maar tegenwoordig krijgen nieuwe technieken als LASIK en LASEK steeds vaker de voorkeur boven PRK.
Indicatie
PRK kan toegepast worden bij lichte bijziendheid (van -1 tot -6 dioptrieën), lichte verziendheid (van +1 tot +4,5 dioptrieën) en lichte cilindrische afwijking (van minder dan 4 dioptrieën). De verziendheid die ontstaat bij het ouder worden (presbyopie), kan niet behandeld worden met PRK. Howel LASIK en LASEK behandelingen steeds meer de voorkeur krijgen boven PRK is PRK de aangewezen behandeling voor mensen met een dun hoornvlies of met grote pupillen.
Voorbereiding op de operatie
Voordat het oog behandeld wordt met de laser, vindt een oogheelkundig onderzoek plaats. De refractie-afwijking wordt bepaald, de oogdruk wordt gemeten en het oog wordt met behulp van een spleetlamp nauwkeurig bekeken. Er wordt ook een gedetailleerde foto gemaakt van het hoornvlies zodat de chirurg precies weet hoe het hoornvlies eruit ziet en waar het moet worden aangepast.
De operatie
De behandeling gebeurt poliklinisch en is pijnloos. Het oog wordt met druppels verdoofd. Als de verdoving werkt, moet de patiënt op de rug op de behandeltafel gaan liggen. Het te behandelen oog wordt opengehouden met een ooglidspreider zodat de patiënt niet kan knipperen. Het andere oog wordt afgedekt. Hierna wordt een gedeelte van het hoornvlies (het epitheel) met een spatel verwijderd. Dit gebeurt in het centrale deel van het hoog; bij de pupil en de iris. De laserstralen kunnen nu de diepere laag van het hoornvlies bereiken. Dan wordt de patiënt gevraagd naar boven in de laser te kijken en het oog op een klein lichtpunt te fixeren. Vervolgens vindt de lasercorrectie plaats. In twintig seconden tot twee minuten voert een serie laserflitsen de correctie uit. De behandelend oogarts controleert gedurende de gehele behandeling door de microscoop of de patiënt blijft fixeren op het lichtpunt. Direct na de behandeling worden zalf, druppels, een contactlens of een oogverband aangebracht.
Nazorg
Na de behandeling wordt het oog afgedekt met een beschermende oogkap. De patiënt mag na de behandeling niet zelf met de auto naar huis rijden. In overleg met de behandelend oogarts worden nacontroles gepland. Gedurende enkele maanden moet het oog gedruppeld worden om de genezing van het oog te bevorderen. In de eerste week worden vaak antibiotica oogdruppels gegeven om infectie te voorkomen en na die tijd kunsttranen om het oppervlak extra te bevochtigen en glad te houden.
Beloop en complicaties
De volgende tijdelijke klachten kunnen na de laserbehandeling ontstaan:
- Pijn
Wanneer de plaatselijke verdoving uitgewerkt is, kan het oog pijnlijk worden. Deze pijn kan gedurende enkele dagen aanhouden en ernstig zijn. De pijn kan eventueel verlicht worden met pijnstillende tabletten. - Tijdelijk slechter zien
Gedurende de eerste weken is de gezichtsscherpte meestal slechter dan voor de behandeling. Dit is het gevolg van het nog onregelmatige oppervlak. Bovendien treedt gedurende de eerste maanden overcorrectie op (verziendheid bij behandeling van bijziendheid en omgekeerd) die geleidelijk afneemt om op de definitieve sterkte uit te komen. - Lichtschuwheid
Tijdens de genezing kan lichtschuwheid optreden. Het oog kan beschermt worden tegen het ultraviolette licht van de zon door een goed afsluitende zonnebril. - Hoornvliestroebeling (haze)
Na de behandeling treedt een geringe vertroebeling van het hoornvliesoppervlak op, een zogenaamde haze. Dit kan met name bij schemerlicht leiden tot een geringe vermindering van helderheid en contrast bij het zien. Gelukkig verdwijnt deze haze na verloop van tijd (soms pas na meer dan een jaar) bij nagenoeg iedereen. Zoniet, dan kan nabehandeling verricht worden. - Halo’s
In het overgangsgebied van het behandelde en niet-behandelde hoornvlies wordt het binnenvallende licht verstrooid (“strooilicht”) of dubbel gebroken. Dit kan bij aanwezigheid van wijde pupillen (bijvoorbeeld ‘s avonds bij het autorijden) aanleiding geven tot het zien van zogenaamde halo’s. Dit zijn extra waargenomen, heel wazige beelden om het scherpe hoofdbeeld heen zoals ook voorkomt wanneer men door de rand van een harde contactlens kijkt. Autolichten kunnen uitwaaieren tot lichtkransen, zodat een aantal mensen in de eerste maanden na de behandeling ‘s avonds geen auto durft te rijden.
Zoals aan elke ingreep zijn er ook aan een laserbehandeling van het oog kleine risico’s verbonden. De meeste complicaties kunnen met succes behandeld worden, maar in een enkel geval kan de kwaliteit van het zicht onomkeerbaar achteruit of zelfs verloren gaan. Aangezien het een ingreep betreft aan een oog dat (op een refractieafwijking na) gezond is en de patiënt degene is die uiteindelijk beslist om tot behandeling over te gaan, is het noodzakelijk dat deze hiervan goed op de hoogte is voordat hij instemt met de laserbehandeling. In de meeste centra wordt gevraagd een “informed consent formulier” te ondertekenen, waarin de patiënt schriftelijk bevestigt dat hij op de hoogte is van de mogelijke complicaties. Volgens de WGBO (Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst) dient de behandelaar zich ervan te overtuigen dat de patiënt juist en voldoende geïnformeerd is, dat mogelijke complicaties besproken zijn en dat de patiënt op de hoogte is van de kans dat zich niet-gewenste complicaties voordoen.
Mogelijke complicaties van de behandeling zijn:
- Ondercorrectie of overcorrectie
In minder dan 5 procent van de laserbehandelingen treedt een ondercorrectie op van meer dan 1 dioptrie en in minder dan 1 procent van de gevallen een overcorrectie van meer dan 1 dioptrie. Dit kan aanleiding zijn om tot een aanvullende oogcorrectie te besluiten. - Regressie van het effect
Soms kan na verloop van tijd, vooral bij behandeling van sterke bijziendheid (meer dan 6 dioptrieën) en van verziendheid, het effect van de behandeling verminderen. - Blijvende hoornvliestroebeling (haze)
Meestal verdwijnt op de lange duur de troebeling van het hoornvlies spontaan, al kan dat soms meer dan een jaar duren. Bij ongeveer 5 procent van deze mensen verdwijnen de haze en de bijbehorende klachten niet. Dit kan met name bij schemerlicht leiden tot een geringe vermindering van helderheid en contrast bij het zien. - Onregelmatig hoornvliesoppervlak
Onregelmatige genezing van het oppervlakkige laagje (epitheel) van het hoornvlies, littekenvorming en niet perfect gecentreerde behandeling kunnen de oorzaak zijn van een onregelmatige lichtbreking door het hoornvliesoppervlak. Deze complicatie verhindert dat het gezichtsvermogen optimaal wordt en treedt in minder dan 1 procent van de behandelingen op.
Prognose
De bedoeling van de behandeling is de brekingsafwijking weg te halen of zo klein mogelijk te maken. Met een kleine restafwijking van 1 dioptrie of kleiner is iemand niet meer afhankelijk van een bril of contactlenzen. Wanneer er omstandigheden zijn waarin hoge eisen gesteld worden aan het gezichtsvermogen (bijvoorbeeld bij autorijden) kan nog een kleine brilcorrectie nodig zijn om het gezichtsvermogen optimaal te maken.
In onderzoeken is aangetoond dat het resultaat van de PRK-techniek bij bijziendheid tot 6 dioptrieën en gering astigmatisme (minder dan 2 dioptrieën) zeer goed is en vergelijkbaar met de LASIK-techniek. Bij bijziendheid boven 6 dioptrieën geeft LASIK betere resultaten met betrekking tot inschatting en stabiliteit van het resultaat. De resultaten van de PRK-techniek zijn bij verziendheid zijn over het algemeen minder goed. Het resultaat is minder goed in te schatten en er is een grotere kans op regressie (vermindering van het effect van de behandeling na verloop van tijd) en de kans op complicaties zoals storende halo’s, is groter.
Meer informatie
Informatie van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
www.oogheelkunde.org
James B, Chew C, Bron A. Zakboek oogheelkunde derde druk. Elsevier Gezondheidszorg. Maarssen 2004.
Stoorvogel P. Oogchirurgie. Elsevier Gezondheidszorg. Maarssen, 1998.
Bron: Eric Feron Copyright: Medic Info Datum: 10/01/2008
Disclaimer