Centrale sereuze chorioretinopathie

Inleiding

Centraal sereuze chorioretinopathie (ook chorioretinitis centralis serosa genoemd) is een oogaandoening waarbij vochtophoping onder het netvlies optreedt, precies op de plaats van scherp kijken (macula of gele vlek). Deze tijdelijke vochtophoping is het gevolg van een storing van het fijne pigmentlaagje onder het netvlies (retinaal pigmentepitheel). Na het verdwijnen van het vocht verdwijnen meestal ook de klachten van een vervormd beeld en wazig zien, maar het ziektebeeld kan later opnieuw optreden. In een aantal gevallen ontstaat blijvende schade aan het netvlies.

Oorzaken

Het retinaal pigmentepitheel speelt een belangrijke rol in het vochttransport. Het zorgt ervoor dat vocht van onder het netvlies weggepompt wordt naar het vaatvlies. Als het pigmentepitheel wordt aangetast, ontstaat er een vochtopstapeling onder het netvlies en komt het netvlies los van zijn onderlaag (dit wordt een sereuze netvliesloslating genoemd).

Een centraal sereuze chorioretinopathie komt vooral voor bij mannen op jongere leeftijd (25 tot 45 jaar). De oorzaak van de aandoening is niet bekend. Mogelijk worden de bloedvaten in het vaatvlies in eerste instantie aangetast en gaat het retinaal pigmentepitheel als gevolg hiervan slechter functioneren. Aangezien de aandoening vaak voorkomt bij mannen met stress (“managersziekte”), vermoedt men dat hormonen die bij stress vrijkomen (bijvoorbeeld adrenaline en cortisol) de normale bloedcirculatie in het vaatvlies kunnen verstoren.

In wetenschappelijke artikelen is aangegeven dat de aandoening kan voorkomen als gevolg van het gebruik van cortisonetabletten. In een recente studie wordt gesuggereerd dat ook bepaalde medicijnen tegen depressie en angst (antidepressiva en anxiolytica) een rol zouden spelen bij het ontstaan van de aandoening.

Voor zover bekend is een centraal sereuze chorioretinopathie niet erfelijk.

Verschijnselen

Roodheid, irritatie en pijn van de ogen horen niet bij een centraal sereuze chorioretinopathie. Van buiten is er dus niets abnormaals aan de ogen te zien. Wel kan inspanning van de ogen, bijvoorbeeld om te lezen, televisie of op een beeldscherm te kijken, sneller leiden tot vermoeidheid van de ogen.

Centraal sereuze choroidoretinopathie gaat gepaard met een aantal verschijnselen:

  1. Een wazige vlek of verminderd zien
  2. Vervormd zien

Een wazige vlek of verminderd zien
Op of naast de plek waar de blik op gericht wordt, kan een wazige, doffe of donkere vlek waargenomen worden. Soms blijft het centrum van het zien gespaard en wordt een grijze vlek op een andere plaats waargenomen, meestal net naast de plek waar de blik op gericht wordt (naast het fixatiepunt). Er bestaat vaak een verschil in het zien van kleuren tussen beide ogen: het aangedane oog ziet de kleuren veel doffer. Het perifere zien (zijzicht) blijft altijd intact. Doordat het netvlies door de vochtophoping iets meer naar voren komt, kan het wazig zien soms met een ander brillenglas (meer “plus”) verbeterd worden. Het heeft echter geen zin om andere glazen te bestellen omdat de vochtophoping niet stabiel is.

Vervormd zien
Meestal is vervorming van het beeld het eerste teken van de aandoening. Soms lijkt het gehele beeld kleiner. Lijnen lopen niet meer recht, maar kunnen een vreemde kronkel of een uitbochting krijgen. Men ziet bijvoorbeeld een deuk of een hobbel in een deurstijl of lantaarnpaal. Of men ziet “verwrongen” gezichten. In een verder gevorderd stadium kan de wereld eruit zien alsof men door een soort lachspiegel kijkt.

Diagnose

Het bestaan van een centraal sereuze chorioretinopathie wordt door de oogarts vastgesteld na het verrichten van bepaalde onderzoeken:

  1. Onderzoek van de gezichtsscherpte op afstand (visus meten)
  2. Onderzoek van de gezichtsscherpte dichtbij (leesvisus meten) (de leesvisus gaat soms sterker achteruit dan de visus op afstand)
  3. Onderzoek van de beeldvervorming (Amsler test) kan nuttig zijn om beginnende of discrete centraal sereuze chorioretinopathie op te sporen
  4. Met een oogfundusonderzoek (oogspiegelonderzoek) kan de oogarts – na het verwijden van de pupil met oogdruppels – het netvlies bekijken, en meer specifiek het centrum ervan, de macula.

Indien de oogarts na het verrichten van deze onderzoeken vermoedt dat er sprake is van centraal sereuze chorioretinopathie of deze aandoening juist met zekerheid wil uitsluiten, zal hij een fluorescentie of ICG-angiogram aanvragen.

Bij centraal sereuze chorioretinopathie is er sprake van lekpuntjes in het retinaal pigmentepitheel onder het netvlies. Op de plaats van de lekkage stapelt de kleurstof die bij dit onderzoek in de arm wordt ingespoten en zich door het lichaam verspreidt, zich langzaam op onder het netvlies.

Behandeling

In principe wordt centraal sereuze chorioretinopathie niet behandeld omdat de aandoening vanzelf weer geneest. Laserbehandeling kan genezing wel versnellen, maar het eindresultaat na maanden is niet beter, en in sommige gevallen mogelijk zelfs slechter als gevolg van de laserbehandeling.

Toch zijn er omstandigheden waarbij toch overwogen kan worden om over te gaan tot een laserbehandeling:

  1. Als geen spontane genezing optreedt binnen een periode van vier maanden.
  2. Als een nieuwe aanval van centraal sereuze chorioretinopathie optreedt in een oog waarvan het retinaal pigmentepitheel al is beschadigd door vorige aanval(len).
  3. Als centraal sereuze chorioretinopathie voor het eerst optreedt in een oog, terwijl het andere oog reeds schade heeft opgelopen aan het retinaal pigmentepitheel als gevolg van de aandoening.
  4. Als om beroepsredenen het gezichtsvermogen snel moet herstellen.

Er is geen enkel geneesmiddel of voedingsmiddel bekend dat de kans op een nieuwe aanval van centraal sereuze chorioretinopathie kan verminderen. Aangezien beschreven is dat de aandoening kan voorkomen als gevolg van het gebruik van cortisonetabletten, kan de behandelend arts kijken of er alternatieven zijn voor het gebruik van deze medicijnen. In een recente studie wordt gesuggereerd dat ook bepaalde medicijnen tegen depressie en angst (antidepressiva en anxiolytica) een rol zouden spelen bij het ontstaan van de aandoening. Ook dan kan overlegd worden met de behandelend arts of er alternatieven zijn.

De aandoening komt vooral voor bij een bepaald persoonlijkheidsprofiel, namelijk dynamische, energieke mensen die aan veel druk en stress blootstaan. Daarom wordt vaak geadviseerd het wat rustiger aan te doen en waar mogelijk stress te vermijden. Ook meditatie, yoga en lichaamsoefeningen kunnen helpen om beter met stress om te gaan.

Intensief “gebruik” van de ogen zoals bij het lezen of televisiekijken, beïnvloedt het ziekteproces niet. Het heeft dan ook geen enkele zin om de ogen te sparen om terugkeer van de aandoening te voorkomen.

Prognose

Het spontane verloop van een centraal sereuze chorioretinopathie is niet te voorspellen.

Ongeveer 90 procent kans op een goed herstel
Bij de meeste mensen trekt het vocht onder het netvlies na een tijd spontaan weg zonder duidelijke schade aan het netvlies. Daardoor verbetert het zien vanzelf in de loop van weken of maanden. Hoewel het gezichtsvermogen zich vaak herstelt tot bijna honderd procent, wordt de kwaliteit van het scherpe zien meestal niet meer zo goed als voorheen. Kleuren blijven vaak iets fletser, lijnen kunnen iets vervormd blijven, contrasten kunnen minder scherp zijn en soms kan het zien in het donker gestoord blijven. Na dit herstelproces bestaat een kans van 40 tot 50 procent dat de aandoening later in hetzelfde oog terugkomt.

Ongeveer 10 procent kans op een slecht herstel
Dit is vaak het geval bij de chronische of de terugkerende vorm van centraal sereuze chorioretinopathie. Hierbij kan ernstige, blijvende schade aan grote delen van het pigmentepitheel ontstaan. Daarom wordt de aandoening ook de ‘diffuse retinale pigmentepitheliopathie’ (letterlijk: verspreide ziekte van het retinaal pigmentepitheel) genoemd. Het gezichtsvermogen kan steeds waziger worden en de beeldvervorming kan verder toenemen.
Het perifere zien (zijzicht) blijft, zoals gezegd, intact, zodat men zelfs in het meest vergevorderde stadium in staat blijft om zijn weg in huis en daarbuiten zelfstandig te vinden, ook al mist men de scherpte.

Aantasting andere oog
Vaak worden bij onderzoek van het niet-aangetaste oog subtiele veranderingen in het retinaal pigmentepitheel gevonden. Dit duidt op aantasting van het andere oog, maar gelukkig ondervindt minder dan 20 procent van de patiënten ooit klachten in het andere oog.

Meer informatie

James B, Chew C, Bron A. Zakboek oogheelkunde derde druk. Elsevier Gezondheidszorg. Maarssen 2004.

Bron: Eric Feron Copyright: Medic Info Datum: 10/01/2008

Disclaimer