- Inleiding
- Oorzaken
- Verschijnselen
- Diagnose
- Behandeling
- Wat kunt u zelf doen?
- Veilig vrijen
- Meer informatie
Inleiding
HIV (‘human immunodeficiency virus’) is een virus die bepaalde gespecialiseerde witte bloedcellen aantast, waardoor het afweersysteem niet goed meer functioneert. Het lichaam is dan onvoldoende opgewassen tegen infectieziekten en bepaalde zeldzame vormen van kanker. Wanneer een persoon met HIV deze ziekten krijgt door het niet goed werken van zijn afweersysteem, is er sprake van AIDS. Het zijn die ziekten waaraan een AIDS-patient meestal overlijdt.
HIV kan worden overgedragen door middel van bloed-bloed contact en via seksueel contact.
Oorzaken
Het HIV-virus tast bepaalde witte bloedcellen (de CD4+ cellen) in het bloed aan, die een onderdeel zijn van ons afweersysteem. Wanneer zij worden aangevallen, daalt hun aantal en kan het afweersysteem zich niet meer richten tegen het HIV virus zelf en andere infecties waar een gezond persoon weinig van zou merken (oppurtunistische infecties).
HIV is een sexueel overdraagbare aandoening (SOA) en kan dus worden overgedragen via seksueel contact. Elke keer dat een persoon onveilig vrijt met een met HIV geïnfecteerde partner, loopt hij of zij de kans besmet te worden met het virus. Vooral bij veel wisselende seksuele contacten is de kans op besmetting groter.
HIV kan ook overgedragen worden via bloed-bloed contact. Dit kan bijvoorbeeld via een bloedtransfusie met besmet bloed of besmette bloedproducten of via besmette injectienaalden bij drugsgebruik. HIV kan ook overgedragen worden bij het aanbrengen van bijvoorbeeld piercings (ook gaatjes in de oren), tatoeages en bij acupunctuur, als niet-gesteriliseerde naalden worden gebruikt. Van bloed-bloed contact is ook sprake via de placenta bij een zwangere vrouw. HIV kan dan ook van moeder op kind worden overgedragen als het kind nog in de baarmoeder zit (via de placenta), tijdens de bevalling en na de geboorte (via de borstvoeding).
Verschijnselen
Afhankelijk van de leeftijd waarop iemand een HIV-infectie oploopt, treden op korte of lange termijn klachten op. Daarnaast spelen ook erfelijke factoren een rol en mogelijk het subtype virus waarmee iemand wordt geïnfecteerd.
In eerste instantie zijn er geen verschijnselen. Dit kan jaren duren. Wanneer de hoeveelheid virus toeneemt, wordt de afweer aangetast en krijgt iemand klachten. Vermoeidheid, nachtzweten, veel gewichtsverlies zonder duidelijke reden, koorts, hardnekkige diarree en kortademigheid kunnen wijzen op een HIV-infectie. Iemand krijgt de diagnose 'AIDS' als het HIV-virus de afweer zo ernstig heeft aangetast, dat iemand ziek wordt door een infectie die door een gezonde afweer normaal gesproken gewoon zou zijn bestreden.
Diagnose
Omdat de meeste mensen zich in het begin van hun HIV-infectie helemaal niet ziek voelen, is het laten uitvoeren van een HIV-test de enige mogelijkheid. Antistoffen tegen HIV zijn soms pas drie maanden na infectie in het bloed terug te vinden. Testen heeft daarom alleen zin 3 maanden na de mogelijke besmetting. Dit kan bij de huisarts, de GGD, via checkpoint van de HIV Vereniging en op een SOA-poli (alleen in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Groningen, Maastricht en Nijmegen). Tegenwoordig is het mogelijk op al deze plaatsen een anonieme test te doen. Er komt dan een code op het buisje bloed te staan, zonder naam.
Op een aantal van deze poli’s is een sneltest (uitslag binnen een uur) mogelijk. HIV zelftesten zijn niet zo betrouwbaar.
Behandeling
Wanneer niet wordt gewacht met een HIV-test totdat er klachten zijn, is er de mogelijkheid om op het juiste moment met de medicatie te beginnen. Beginnen met therapie is afhankelijk van het aantal witte bloedcellen (CD4+ cellen) in het bloed. De medicatie kan het virus niet laten verdwijnen, maar kan het wel remmen. Hierdoor kan het ontstaan van ziekteverschijnselen en AIDS meestal voor langere tijd tegen worden gegaan.
Wanneer iemand een zeer groot risico op besmetting heeft gelopen (bijvoorbeeld door bloed-bloed contact met iemand die hiv besmet is) kan een zware medicijnenkuur gegeven worden. Met die medicijnkuur is de kans dat men HIV-positief wordt een heel stuk kleiner. Tijdens de zwangerschap van een HIV-positieve moeder kunnen deze medicijnen ook de overdracht van HIV op het kind tegengaan, maar ook hier is het succespercentage niet 100%.
Wat kunt u zelf doen?
Besmetting met HIV is te voorkomen door veilig te vrijen, gesteriliseerde wegwerpnaalden en –spuiten te gebruiken en alleen bloed en bloedproducten te gebruiken die gecontroleerd zijn op HIV. (Para)medici moeten volgens de voorschriften werken om besmettingsgevaar voor zichzelf en anderen uit te sluiten.
Veilig vrijen
Veilig vrijen houdt in dat u zelf verantwoordelijk bent voor afdoende voorzorgsmaatregelen om de overdracht van infecties bij seksueel contact te voorkomen. Houdt u daarbij aan de onderstaande richtlijnen:
- Gebruik een condoom, bij voorkeur een mannencondoom van latex of polyurethaan en niet een van natuurlijk materiaal.
- Gebruik behalve een condoom ook een zaaddodende pasta voor extra bescherming tegen seksueel overdraagbare ziekten (SOA’s).
- Bescherm uw mond bij orale seks door ook dan uw partner een condoom te laten gebruiken of gebruik te maken van een beflapje.
Meer informatie
Info van de SOA-lijn:
0900 - 204 204 0 of 0900 – AIDSSOA (€ 0,10 per minuut)
www.hivnet.org
Algemene informatie over HIV en aids van het aidsfonds of HIVnet
Farthing, M.J.G, Jeffries, D.J, & Anderson, J 1999, ‘Infectious diseases, tropical medicine and sexually transmitted diseases’ in Clinical Medicine, eds P. Kumar & M. Clark, 4th edn, Harcourt Publishers Limited, Edinburgh, London.
Griffin, G.E. et al 1999, ‘Diseases due to infection’, in Davidson’s Principles and Practice of Medicine, eds C. Haslett, E.R.E. Chilvers, J.A.A. Hunter, & N.A. Boon, 18th edn, Churchill, Livingstone, London.
Bron: LSHTM Copyright: Medicinfo Datum: 17/03/2008
Disclaimer