- Inleiding
- Indicaties
- Werking radiotherapie
- Toediening
- Resultaat radiotherapie
- Bijwerkingen
- Complicaties
- Meer informatie
Inleiding
Radiotherapie van het zenuwstelsel of bestraling is een niet-invasieve behandelingsprocedure. Hierbij worden meestal golven met hoge energie (ioniserende straling) toegepast om bepaalde kwaadaardige tumoren van het zenuwstelsel te behandelen. Er vindt dan bestraling plaats van de tumor vanuit een bron buiten het lichaam. Voor het behandelen van (goedaardige tumoren) wordt radiotherapie zelden toegepast.
Er kunnen verschillende typen ioniserende straling worden gebruikt, waaronder:
- röntgenstraling;
- gammastraling;
- elektronen.
Het doel van de bestraling is dat tumorcellen vernietigd worden en zich niet meer kunnen delen. Radiotherapie kan afzonderlijk worden toegepast, of in combinatie met chirurgie of met geneesmiddelen (chemotherapie) voor de behandeling van kanker.
Indicaties
Radiotherapie wordt toegepast voor verschillende typen kwaadaardige tumoren van het centrale zenuwstelsel; uitgezaaid naar of ontstaan in het zenuwstelsel. Ook wordt bestraling toegepast voor het behandelen van kleine asymptomatische tumoren en om te voorkomen dat deze terugkomen. De therapie kan op zichzelf worden gegeven, maar wordt vaak gecombineerd met een operatie of chemotherapie. Radiotherapie wordt vaak na een operatie gegeven om te voorkomen dat de tumor terugkeert. Het kan ook worden toegepast wanneer een tumor maar gedeeltelijk is verwijderd of wanneer het niet mogelijk is deze chirurgisch te verwijderen. Ook voor het bestrijden van symptomen zoals pijn en zwellingen, of wanneer de omringende structuren bekneld raken, wordt radiotherapie gegeven. Als radiotherapie wordt toegepast om de symptomen te bestrijden, worden gedurende korte tijdsperioden lagere doses gegeven.
Werking radiotherapie
De werking van radiotherapie berust op de vernietiging van tumorcellen. Bij radiotherapie worden vooral cellen gedood die zich snel delen. Tumorcellen zijn bij uitstek cellen die snel delen. Deze worden dus voornamelijk aangepakt. Tumorcellen worden vernietigd door de bestraling, doordat de structuren die de erfelijke informatie bevatten zodanig beschadigd raken dat ze niet meer kunnen herstellen. Echter afhankelijk van het type tumor zijn bepaalde tumorcellen gevoelig voor bestraling, terwijl andere ertegen bestand zijn en niet zo gemakkelijk kunnen worden vernietigd. Het doel is de tumoren die er gevoelig voor zijn op deze wijze te vernietigen, in omvang te doen afnemen of zelfs volledig te laten verdwijnen.
De effecten van radiotherapie zijn niet specifiek: de straling kan ook inwerken op omringende gezonde weefsels waarin zich ook cellen bevinden die zich snel delen. Weefsels die snel delen en daardoor gevoelig zijn, zijn het beenmerg, de huid en de binnenbekleding van organen (slijmvlies). De gezonde cellen hebben echter een veel betere kans zichzelf te herstellen.
Toediening
Voorafgaand aan de radiotherapie bekijkt de specialist de geschiedenis van de patiënt en voert hij een lichamelijk onderzoek uit. Het aantal en de duur van de bestralingen worden vastgesteld en met de patiënt besproken. Patiënten die roken, dienen daarmee tijdens en na de procedure te stoppen. De reden hiervoor is dat er daardoor minder bijwerkingen optreden en de procedure effectiever is.
Verschillende eenvoudige en speciale röntgenfoto's (radiologie) van het gebied worden gemaakt om de tumor te bestuderen en om te bepalen welke stralingsdosis voor de procedure nodig is. De patiënt draagt een loodschort om te voorkomen dat andere delen van het lichaam aan de straling worden blootgesteld. Hij dient stil op een tafel te gaan liggen. Via maskers, kussens, banden en andere hulpmiddelen zoals laserstralen wordt de patiënt in de juiste houding gelegd. De straling wordt door speciale instrumenten afgegeven. Voorbeelden van deze instrumenten zijn 'lineaire versnellers' en 'kobaltmachines'. Tijdens de procedure is een zoemtoon hoorbaar. Elke behandelsessie duurt circa 30 tot 45 minuten. Radiotherapie wordt meestal gedurende enkele weken een- of tweemaal daags gegeven. Na de radiotherapie zijn nacontroles nodig om de reactie op de behandeling te beoordelen.
Resultaat radiotherapie
Door radiotherapie kunnen tumoren kleiner worden. Dit geldt ook voor tumoren die maar gedeeltelijk zijn verwijderd door een operatie en voor tumoren die helemaal niet operatief kunnen worden verwijderd. Het geven van radiotherapie na een operatie zorgt daarom voor een beter resultaat en kan voorkomen dat een verwijderde tumor terugkeert. Het overlevingspercentage na vijf jaar wordt verhoogd door de toevoeging van radiotherapie aan de behandeling. Wanneer radiotherapie met andere behandelingsvormen wordt gecombineerd, zijn de resultaten en genezingspercentages beter dan bij enkelvoudige behandelwijzen.
Door onderzoek is aangetoond dat radiotherapie voordelen biedt bij het behandelen van tumoren die zich vanuit andere delen van het lichaam naar de hersenen hebben uitgezaaid (hersenmetastasen). De reactie op de toegediende stralingsdosis is echter niet exact te voorspellen.
Radiotherapie is ook van nut als er geen genezing mogelijk is. Door deze behandeling wordt de ernst van de symptomen die als gevolg van de kanker zijn ontstaan, verminderd. Een voorbeeld hiervan is een beknelling van het ruggenmerg door een tumor. Door radiotherapie verkleint de tumor en nemen de beknelling en de symptomen die hier het gevolg van zijn af.
Bijwerkingen
Bijwerkingen ontstaan vaak twee weken na het begin van de radiotherapie. Deze verschillen per persoon en verdwijnen enige tijd na de behandeling. Informatie over de bijwerkingen die mogelijk optreden, zal door de arts aan de patiënt worden verstrekt.
Het is afhankelijk van de totale dosis waaraan de behaarde huid wordt blootgesteld of iemand haaruitval zal krijgen. Dit begint twee tot drie weken na aanvang van de bestraling. Bij een hoge stralingsdosis komt het haar niet meer terug. In de andere gevallen komt de haargroei ongeveer drie tot zes maanden na de laatste bestraling weer op gang.
Soms krijgt de patiënt een huidreactie rond de hoofdhuid en de oren, die lijkt op zonnebrand. De huid wordt meestal droog, jeukerig, rood en pijnlijk bij aanraking. Als gevolg van de effecten van radiotherapie worden sommige patiënten buitengewoon moe. Dit houdt meestal aan tot een week na de radiotherapie. Sommige patiënten hebben daarnaast de volgende bijwerkingen:
- hoofdpijn;
- verlies van eetlust (anorexia);
- braakneigingen (misselijkheid);
- problemen met het gehoor;
- moeilijkheden met spreken;
- geheugenstoornissen;
- een drukkend gevoel op de bestraalde plaats;
- verergering van bepaalde symptomen van de zenuwen.
Deze zijn het gevolg van de ophoping van vocht en het opzwellen van de hersenen. De bijwerkingen zijn ernstiger wanneer radiotherapie in combinatie met chemotherapie wordt toegediend. Door radiotherapie wordt soms ook het beenmerg beschadigd, waardoor minder bloedcellen worden gevormd.
Complicaties
Het tijdstip waarop de complicaties ontstaan, kan verschillen. Enkele complicaties zijn ernstig en soms zelfs fataal. Deze kunnen zich in de volgende organen voordoen:
- hersenen;
- ruggenmerg;
- gerelateerde bloedvaten;
- gerelateerde hormoonklieren.
Sommige kinderen bij wie de gehele hersenen zijn bestraald, krijgen de aandoening somnolentiesyndroom. Bij deze aandoening worden ze slaperig (somnolentie) en verliezen ze de spiercoördinatie (ataxie).
Wanneer het halsgedeelte van de wervelkolom wordt bestraald, ontstaan bij het buigen van de hals soms plotselinge pijnscheuten die op een elektrische schok lijken (teken van Lhermitte); deze scheuten lopen langs het ruggenmerg omlaag. Door bestraling kan het normale hersenweefsel achteruit gaan, waardoor 'cerebrale bestralingsnecrose' ontstaat. Dit kan leiden tot hoofdpijn, toevallen en andere complicaties die soms fataal zijn.
Late of uitgestelde verwondingen als gevolg van bestraling ontstaan vier maanden na de bestraling. Hierdoor wordt het zenuwstelsel blijvend beschadigd. Bepaalde perifere zenuwen kunnen eveneens beschadigd raken. De hypofyse en hypothalamus kunnen schade oplopen als ze aan bestraling worden blootgesteld. Bestraling heeft invloed op de afgifte van hypofysehormonen zoals groeihormoon, ACTH, prolactine en gonadotropine.
Radiotherapie veroorzaakt soms tumoren in de hersenen en andere lichaamsdelen, zoals de schildklier. Soms treden deze gevolgen pas jaren na behandeling op. Door verbeteringen van de techniek, een juist tijdstip van de procedure en een vroege ontdekking van de complicaties kunnen de ernst en de verergering van deze complicaties worden verminderd.
Meer informatie
Informatie over bestraling
nl.wikipedia.org/wiki/Radiotherapie
www.nvro.nl
www.nki.nl
www.kwfkankerbestrijding.nl
Informatie over bestraling bij kinderen
www.kinderneurologie.eu
(Engels) Informatie en afbeelding over radiotherapie (USA)
www.radiologyinfo.org
Allen, C.M.C. and Lueck, C.J. (1999), Diseases of the Nervous System, in: Haslett, C., Chilvers, E.R., Hunter, J.A.A. and Boon, N.A. (eds) Davidson’s Principles and Practice of medicine, 18th ed, Churchill Livingstone, Edinburgh.
Sagar, S.M. and Israel, M.A. (2001), Primary and Metastatic Tumors of the Nervous System, in: Braunwald, E., Fauci, A.S., Kasper, D.L., Hauser, S.L., Longo, D.L. and Jameson, J.L. (eds) Harrison’s Principles of Internal Medicine, 15th ed, vol. 2, McGraw-Hill, New York.
Sausville, E.A. and Longo, D.L. (2001), Principles of Cancer Treatment, in: Braunwald, E., Fauci, A.S., Kasper, D.L., Hauser, S.L., Longo, D.L. and Jameson, J.L. (eds) Harrison’s Principles of Internal Medicine, 15th ed, vol. 1, McGraw-Hill, New York.
Bron: LSHTM Copyright: Medic Info Datum: 12/09/2008
Disclaimer