Luisteren en kijken
Als we luisteren en kijken gebruiken we taal. In eerste instantie om te bepalen welke taal gesproken of geschreven wordt en de gehoorde klanken te verdelen in woorden en zinnen. De woorden die we herkenden komen ons woordenboek binnen.
Stel je voor: Ik zit op een mooie zomeravond met een stel vrienden op een terrasje in Amsterdam. Dan vraag ik me wel eens af waar al die toeristen om me heen vandaan komen. Vervolgens luister ik naar hun gesprekken en probeert te achterhalen welke taal ze spreken. Ik beperk me tot niveau van de taal want ik ga nooit zover dat ik hun gesprekken wil begrijpen.
Als je naar een interview luistert, valt het je neen op dat de man wel heel vaak een stopwoord gebruikt of een bepaald zinnetje herhaald. Wel he, ik vind, het is te zeggen het publiek is van mening dat ze recht hebben op helderheid. Je moet het dus zo zien dat het publiek vindt dat we openheid van zaken moeten geven. Als de goede man voor de vierde keer zegt dat het publiek vindt dat, dan ga je als het ware zijn stereotiepe uitspraken tellen. Dit heeft niets te maken met het begrijpen van taal.Je analyseert zijn taalgebruik op vormaspecten.
Begrijpen
Als we iets horen of lezen, koppelen we een betekenis aan de woorden. Dit is begrijpen van taal.
Betekenisvorming
Het meest belangrijke als je wat wilt duidelijk maken is de ideevorming. Je ziet of hoort iets en associeert dat met een idee. Bijvoorbeeld je ziet een reclame voor koffie en daardoor kom je op het idee: Oh, Corrie jarig / visite / cadeau. Je denkt er plots aan dat je nog een cadeautje moet kopen voor Corrie omdat die binnenkort jarig is.
Je denkt nog niet in woorden maar in beelden.
Woordbetekenis
Wanneer het idee is vastgehouden, wordt bedacht hoe je deze ideen moet overbrengen. Er wordt gezocht naar begrippen waarvoor woorden bestaan. Eerst wordt gezocht naar woordbetekenissen (begrippen als geld, kopen, cadeau: een boek, bloemetje, cadeaubon of flesje wijn).
Iedereen heeft wel eens moeite om die begrippen te vinden. Als iemand ons de weg vraagt moeten we ook even denken: hoe moet ik dat uitleggen, waar moet ik beginnen. Als je de route tekent, is het voor de ander makkelijker om te begrijpen wat je bedoelt.
Je kunt het vergelijken met in het buitenland zijn en de taal niet kennen. Dan gebruik je ook gebaren of tekeningen.
In dit stadium bedenk je of je iets wilt vragen, iets wilt vertellen of dat je een bevel wilt geven. Dit is van invloed voor de zinsvolgorde.
Woordvorm
In je hoofd zit als het ware een woordenboek. Als de begrippen gevonden zijn dan wordt naar de juiste woorden gezocht. Er zit informatie opgeslagen over de verschillende betekeniskenmerken van een woord. Bijvoorbeeld: een stoel is een ding met vier poten en een rugleuning en is om op te zitten. Er zijn woorden die twee betekenissen hebben, denk maar aan bank: om op te zitten en om geld te halen.
Ons woordenboek bevat gegevens over synomiemen (een wagen en een auto) en welke woorden met elkaar gecombineerd kunnen worden: bijvoorbeeld een bal rollen, een bal gooien maar geen bal drinken.
Soms kunnen we niet op iemands naam komen, maar weten wel enkele letters uit het woord of dat het een kort of lang woord is.
Klankvorm
In de laatste fase worden alle gegevens tijdelijk in je hoofd opgeslagen en worden de juiste klanken bij de woorden gezocht. Iedereen heeft wel eens woorden waarover hij struikelt: denk maar aan wesp/weps: dan is het woord niet 100% juist geprogrammeerd in je hoofd.
Spraak en schrijven
Tenslotte worden de opgeslagen woorden uitgesproken. De klanken worden omgezet in (articulatie)bewegingen. Fouten in de articulatie noemen we geen taalfouten, maar spraakfouten. Iemand die slist heeft geen taalstoornis, maar een spraakstoornis.
Bron: Eveline Helder/Mia Verschaeve Copyright: Medic Info Datum: 28/04/2003
Disclaimer