Congenitale oculomotorische apraxie

Inleiding

Kinderen met een congenitale oculomotorische apraxie kunnen hun oogbewegingen in het horizontale vlak moeilijk sturen. Sommigen van hen reageren bij de geboorte niet op gezichtsprikkels. Vaak wordt dan gedacht dat ze slechtziend zijn. De aandoening staat ook bekend als het syndroom van Balint.

Risicogroepen

Congenitale oculomotorische apraxie komt bij jongens vaker voor dan bij meisjes. De aandoening is aangeboren, vandaar de term congenitaal.

Oorzaken

Doordat de aandoening zelden voorkomt, is er nog weinig inzicht in de oorzaken en de gerelateerde problemen van congenitale oculomotorische apraxie.

Andere aandoeningen zoals de ziekte van Gaucher, ataxie-telangiëctasie syndroom en hersentumoren leiden soms tot het ontstaan van soortgelijke symptomen bij kinderen.

Symptomen

Kinderen met deze aandoening kunnen hun ogen niet op één voorwerp fixeren en bewegende voorwerpen kunnen ze niet volgen. Daardoor volgen ze die met hun hoofd in plaats van met hun ogen. De hoofdbewegingen hebben een karakteristiek schokkerig patroon.

Omdat een groot deel van de ontwikkeling van een kind afhankelijk is van het gezichtsvermogen, kan congenitale oculomotorische apraxie leiden tot een vertraging in de ontwikkeling van bijvoorbeeld het lopen en spreken. Problemen met lezen en spreken leiden soms tot leerproblemen.

Diagnose

Naast een oogheelkundig onderzoek is ook een uitgebreid neurologisch onderzoek noodzakelijk om andere hersenziekten zoals de ziekte van Gaucher, ataxie-telangiëctasie syndroom en hersentumoren uit te sluiten.

Behandeling

Meestal wordt de aandoening minder ernstig tussen het vijfde en tiende levensjaar. De meeste behandelingen zijn gericht op training van het gezichtsvermogen en het voorkomen van leerachterstanden.

Prognose

Als het gezichtsvermogen na enkele jaren vooruitgaat en behandeling is ingezet, verdwijnt de achterstand in de ontwikkeling geleidelijk.

Bron: LSHTM Copyright: Medic Info Datum: 18/03/2004

Disclaimer